Blog: Bosch beweegt

Turnen, Cheerleaden, Acrogym, Trampolinespringen, Dans, Theater en Circus. Bosch in Beweging in en bij de Flik Flakhallen aan de Maaspoort. ‘Een lange stoet de bergen in van het Circus Jeroen Bosch’, zong in 1967 Boudewijn de Groot in het refrein van de tophit ‘Land van Maas en Waal’. Wie was toch de beroemde Bossche schilder die tot deze moderne optredens, wedstrijden en workshops inspireerde? Cultuur verbindt sport en omgekeerd.

In de tijd van Jheronimus bestond er nog geen rondreizend circus met clowns, acrobaten, dierentemmers, paarden, olifanten en andere exotische dieren, want deze voorstellingen in een tent zouden pas in de 19de eeuw te zien zijn. Wel kende het laat middeleeuwse ’s-Hertogenbosch de jaarmarkt. Een feestelijk hoogtepunt in het jaar. De jaarmarkt annex kermis was verbonden met de naamdag van de parochie- of patroonheilige van de stad, waarbij meestal de wijding van het kerkgebouw herdacht werd. Er waren hier sinds de 13de eeuw vier jaarmarkten, waarvan de Sint Jansmarkt, gehouden tussen 21 en 27 juni, een van de drukst bezochte was. Verder was er eind juni, begin juli de Markt van Onze Lieve Vrouwe, die plaats had vóór de Omgang. In het najaar waren er eind oktober de veemarkt en begin december de Sinterklaasmarkt. In de 15de eeuw kwamen hier nog bij de Halfvasten- en de Sint-Bartholomeusmarkt, die eind augustus werd gehouden. Tenslotte stond keizer Karel V in 1540 vóór Pasen de vrije markt voor magere beesten toe.
In totaal kende ’s-Hertogenbosch maar liefst zeven jaarmarkten die elk uit de wijde omgeving veel volk trokken. Handelaars, marskramers en boeren gingen met hun waren naar de jaarmarkt om er een paar duiten te verdienen.

Omdat aan een jaarmarkt vaak een kermis was verbonden, viel er heel wat plezier en vertier te beleven. Overal stonden er kramen met nuttige of luxe zaken en lekkernijen. Er werd stevig gegeten en gedronken. Rondtrekkende artiesten, vuurvreters, goochelaars, acrobaten en koorddansers vertoonden er hun kunsten. Er waren voorstellingen van toneel- en marionettenspelers. Rederijkerskamers (amateurtoneelgezelschappen) beelden verzen en spreuken uit en voerden wagenspelen op. Ook kwakzalvers verkochten hun ‘heilzaam medicijn’: kiezentrekkers probeerden de bezoekers van hun pijn te verlossen. En overal, in herbergen en op straat, klonken deuntjes van trommelspelers en vedelaars.
Jheronimus zag dit vertier, maar stelde in het paneel De Goochelaar bedrog en diefstal aan de kaak. De goochelaar toont in zijn rechterhand een balletje, terwijl aan zijn broekriem een mandje hangt, waaruit een uiltje gluurt. Voor zijn voeten zit een hondje met een kapje op en een belletjesring om; een hoepel staat tegen de tafel. Tegenover de goochelaar bevindt zich het publiek, waarvan één voorovergebogen persoon een kikker uitspuwt naar een al op de tafel springende diertje. De kikker betekent in de middeleeuwen het kwaad en de duivel. Tijdens de goocheltruc is er iemand die van de publieke belangstelling misbruik maakt: de beurzensnijder. Hij kijkt door een knijpbril naar de goochelaar én berooft met zijn rechterhand de vóór hem staande persoon van zijn beurs. Dit schilderij uit het atelier Bosch is tijdloos. De truc met balletjes onder een beker doet het nog altijd; mensen willen ondanks alle waarschuwingen beetgenomen worden. Ook zakkenrollerij is in de Bossche binnenstad een nog altijd bestaande praktijk, waarvan veel onschuldige bezoekers het slachtoffer zijn.

De Goochelaar is een van de bekende moraliserende schilderijen. Mensen zijn lichtgelovig en laten zich graag beetnemen door goochelaars en dieven.

meer